De Oorsprong
van het Gilde
In 1543 plunderden de legers van Maarten van Roussum de streek, wat mogelijk de aanleiding was voor de oprichting van het gilde van St. Antonius. Of het gilde al eerder bestond, is onbekend. Wel staat vast dat het gilde in 1544 een ‘Caert’ of reglement ontving van Thomas Schotelmans, heer van de heerlijkheid Aalst, Waalre en Valkenswaard. De exacte inhoud van deze ‘Caert’ is tot op heden niet achterhaald. Evenmin is duidelijk of het gilde altijd in zijn bekende vorm heeft bestaan of dat het een samensmelting was van twee aparte gilden, zoals een schutterij van St. Antonius en een broederschap van St. Catharina. De dubbele naam komt pas rond 1920 in de administratie van het gilde voor.
De vroegste vermeldingen van eigendommen en bezittingen van het gilde dateren uit het einde van de zestiende eeuw. Een half platte, zilveren vogel, waarschijnlijk geschonken door een voorouder van Bartel Willems uit het geslacht Beerenbroeks, draagt een penning met de naam Bartel Willems 1605. Dit stuk hing aan een bewerkt zilveren schild uit 1628 met de tekst “Jan Hvyberts Conick int jaer 1628”.In de gildeboeken wordt al in 1591 melding gemaakt van Art Jan Willems en Matheus Marcelis als gildemeesters van Sint Antonius in Aalst. De reden van hun verschijning in een gerechtelijke procedure is onbekend, aangezien de procesinhoud verloren is gegaan. Uit documenten blijkt echter dat het gilde inkomsten had uit beleggingen. In 1609 werd bijvoorbeeld een jaarlijkse cijns van 2,5 stuiver en 1 oort betaald aan het Sint Antoniusgilde.